Zes voorbeelden van (zogenaamd) slecht levensgedrag en intrekking vergunning

Slecht levensgedrag en intrekking vergunning

De horecawetgeving bepaald dat als iemand van ‘slecht levensgedrag’ een horecavergunning geweigerd kan worden. Lees hier een voorbeeld van onrechtmatig weigering van de vergunning. Een reeds verstrekte horecavergunning kan ingetrokken worden als blijkt van slecht levensgedrag. De burgemeester van de gemeente gaat over de intrekking van een horecavergunning wegens slecht levensgedrag. De ‘bestuurlijke informatie’ is vaak afkomstig van de politie of het OM en daarmee wordt de burgemeester op het “spoor” gezet van een voorval waar de vergunninghouder bij betrokken is. Ik bespreek hieronder een aantal voorbeelden van situaties waar de vergunninghouder de intrekking van zijn vergunning heeft bestreden bij de bestuursrechter. Soms met succes.

1. Oude feiten meer dan 5 jaar terug “slecht levensgedrag”?

Iemand is veroordeeld geweest meer dan 5 jaar terug; hoe ver mag je teug gaan in de tijd om iemand iets aan te rekenen als “slecht levensgedrag”?

Sinds het vonnis van 14 april 2014 meer dan vijf jaren zijn verstreken zonder dat de leidinggevende van het horecabedrijf in aanraking met Justitie is gekomen. Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op basis van zijn eigen gedragslijn niet verder mocht terugkijken en eerdere incidenten bij zijn beoordeling heeft kunnen betrekken. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is en heeft verweerder de exploitatievergunning en de drank- en horecawetvergunning niet op grond daarvan kunnen weigeren. Rb Gelderland, 18 december 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5899

2. Gemeente stel wel heel makkelijk dat er sprake is van slechte levensgedrag

Andere zaak over oude feiten van een horeca-exploitant: antecedenten hadden betrekking tot bedreiging van 2013 en de schuldhelding van 2014. Er is dan ook sprake van een aanzienlijk tijdsverloop. Bovendien is er voor beide zaken niet zwaar bestraft. Verder is niet gebleken dat zij sindsdien in aanraking is geweest met politie/justitie. Bovendien heeft de betrokkene een VOG gekregen voor de exploitatie. Dit is ook in artikel 2:28, vijfde lid, aanhef en onder d, van de APV als voorwaarde gesteld voor het verkrijgen van een exploitatievergunning. Aangenomen kan worden dat de hiervoor genoemde antecedenten van verzoekster ook bij de beoordeling van de VOG-aanvraag zijn betrokken en kennelijk geen aanleiding hebben gegeven de VOG te weigeren. Verder mocht verzoekster tijdens de aanvraagprocedure de lunchroom exploiteren en heeft zij diverse verklaringen overgelegd van omwonenden/klanten die blijk geven de aanwezigheid van de lunchroom te waarderen. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster in enig opzicht van slecht levensgedrag is en heeft verweerder de exploitatievergunning niet op grond daarvan kunnen weigeren. Rb Den Haag, 14 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12258

Lees ook: horecavergunning en slecht levensgedrag.

3. Kwalificatie slecht levensgedrag omstreden in het licht van de Dienstenrichtlijn

De beklaagde horeca-ondernemer in deze zaak voert aan dat het criterium ‘slecht levensgedrag’ uit de APV in strijd is met artikel 10, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn. Uit (de toelichting op) de APV blijkt namelijk niet wat onder slecht levensgedrag wordt verstaan en onder welke omstandigheden dit aanleiding kan zijn om een vergunning te weigeren of in te trekken. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de exploitant naar de uitspraken van de rechtbank Midden Nederland van 14 december 2018 en 18 juli 2019 en de uitspraak van deze rechtbank van 3 juni 2019. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in dit geval voor ondernemer op voorhand onvoldoende duidelijk en voorzienbaar was dat zijn antecedenten hem in het kader van zijn exploitatievergunning zouden kunnen worden tegengeworpen. In dit geval worden de vergunninghouder geen soortgelijke antecedenten tegengeworpen, maar antecedenten die volgens verweerder zien op ‘roekeloos rijgedrag’ en op ‘onaanvaardbaar gedrag’. Hieruit volgt dat verzoeker niet had kunnen weten dat verweerder hem de onder 3 genoemde antecedenten zou tegenwerpen en dat in dit geval sprake is van strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. Rb Amsterdam, 10 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9330

4. Slechte voorbereiding besluit door gemeente en onvoldoende onderzoek

In een andere rechtszaak wordt de horecabaas het verwijt gemaakt dat hij zich niet heeft gehouden aan hogere wetgeving, zoals de Accijnswet, Tabakswet (de voorzieningenrechter gaat er vanuit dat bedoeld is: Tabaks- en rookwarenwet) en belastingwetgeving zodat er een implicatie is dat verzoeker van slecht levensgedrag is.

De voorzieningenrechter is van oordeel, zoals verzoeker ook heeft aangevoerd, dat de gemeente niet voldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat verzoeker hogere wetgeving heeft overtreden, zodat de gemeente dit niet kan tegenwerpen. De voorzieningenrechter is voorlopig verder van oordeel dat de grondslag voor intrekking van de exploitatievergunning wegens het levensgedrag van verzoeker met toepassing van artikel 1:6 van de APV ontbreekt, nu levensgedrag van een exploitant als zodanig niet als intrekkingsgrond staat vermeld. Overigens valt niet uit te sluiten, zoals ter zitting ook is aangevoerd, dat het criterium ‘slecht levensgedrag’ onverbindend is vanwege strijd met de Dienstenrichtlijn. Rb Midden-Nederland, 18 juli 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3287

5. Verdenking van een strafbaar feit is nog geen slecht levensgedrag

Door het levensgedrag van de vennoot negatief te beoordelen hoofdzakelijk op basis van het feit waarvan de vennoot wordt verdacht, kan niet meer gesproken worden van een criterium dat, conform artikel 10 van de Dienstenrichtlijn, vanuit het oogpunt van de burger of beoogde dienstverrichter duidelijk en ondubbelzinnig, objectief en transparant en toegankelijk is. Voordat zij de aanvraag deed, had de vennoot namelijk uit de betreffende bepaling in de APV of uit de toelichting niet kunnen of moeten begrijpen dat de enkele verdenking die op de vennoot rust, al zou leiden tot een negatief oordeel over zijn levensgedrag en daarmee tot afwijzing van de verlengingsaanvraag. Door de wijze waarop de burgemeester het begrip ‘levensgedrag’ in het geval van verzoekster heeft gebruikt, valt niet uit te sluiten dat artikel 3.11 van de APV in haar geval willekeurig is toegepast. Vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. Rb Amsterdam, 11 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9241

Ook een Bibob onderzoek kan leiden tot een weigering of intrekking van een vergunning; lees hier meer daarover.

6. Intrekking vergunning wegens overtreding Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV)

Na een controle van de arbeidsinspectie is aan de aangetroffen personen met terugwerkende kracht tot respectievelijk 26 augustus en 16 december 2015 een verblijfsvergunning asiel verleend. De rechtbank is daarom van oordeel dat nu vast staat dat eiseres artikel 2 lid 1 Wav niet heeft overtreden en de gemeente zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vergunninghouder in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Er bestaat geen grondslag voor de intrekking van de exploitatievergunningen omdat de ondernemer de Wav heeft overtreden of in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de primaire besluiten te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit. Rb Noord-Holland, 29 maart 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:2712

Stel vrijblijvend uw vraag over 'slecht levensgedrag' aan Mark van Weeren.

Gepubliceerde Artikelen