Procederen bij de Ondernemingskamer - Een voorbeeld uit de praktijk

Zoals beloofd, kom ik nog een keer terug op het fenomeen “procederen bij de Ondernemingskamer”. Zoals eerder opgemerkt, gaat het er hier anders aan toe dan in de meeste rechtszalen. De in acht te nemen formaliteiten en de wijze van behandeling van een verzoekschrift lijken erg op wat er in rechtbanken gebeurt. Maar de bereidheid van de Ondernemingskamer om oplossend bezig te zijn in extreem complexe kwesties is van een hele andere orde dan wat je vaak in rechtbanken of bij Presidenten ziet.

Dit artikel is een vervolg op ‘Procederen bij de Ondernemingskamer versus het voeren van een kort geding’.

Bij rechtbanken wordt vaak het verhaal aangehoord en een President in kort geding is wat meer bereid om naar oplossingen te zoeken. Tijdens comparities wordt er wel gestuurd op een minnelijke regeling, maar vaker, zeker als partijen aangeven dat een minnelijke regeling niet gewenst wordt, wordt de kwestie aangehoord en komt er een beslissing. Bij de Ondernemingskamer gaat dat heel anders.

Het doel van de Ondernemingskamer

De Ondernemingskamer heeft als doel om het ondernemingsrechtelijke geschil zo snel mogelijk in het belang van de vennootschap te beslechten. Dit brengt met zich mee dat traditionele blokkades, zoals bijvoorbeeld een pandrecht op aandelen, vrij snel terzijde wordt geschoven. Er wordt niet afgedaan aan dat recht, maar het recht wordt op een hele andere manier neergezet dan hoe dat in de praktijk, bijvoorbeeld bij een uitwinning, werkt.

Een voorbeeld uit de praktijk

Neem nou een traditioneel zekerheidsrecht van een geldverschaffer in de vorm van een reëel executeerbaar pandrecht op aandelen in de werkmaatschappij. Wat is zo’n pandrecht nu waard? Doorgaans is net namelijk vrij omslachtig om dit zekerheidsrecht uit te winnen. Allereerst dient in een separate procedure, bij verzoekschrift, aan de rechter gevraagd te worden om de aandelen te verkopen tegen een bepaalde waarde. Verkoop aan de pandhouder is ook mogelijk. Daar kan de geëxecuteerde dan bezwaar maken en daar kunnen allerhande belanghebbenden ook hun zegje doen over met name de prijs waartegen verkocht kan worden. Uiteindelijk, als de rechtbank dan beslist tot verkoop van die aandelen, dan is dat vaak een nogal strikt geclausuleerde verkoop.

Ik heb meegemaakt in een procedure bij de Ondernemingskamer dat zo’n zeer vertragende executie door de Ondernemingskamer heel pragmatisch terzijde werd geschoven. Er werd simpelweg gezegd: het pandrecht heeft een bepaalde waarde, te weten nihil, althans verwaarloosbaar, en omdat dit zo is gaan we over tot een verwateringsactie in het belang van de vennootschap.

De Ondernemingskamer is immers niet bevoegd tot kennisneming van een verzoek tot aandelenverkoop en dat is vermoedelijk ook de reden dat die weg niet is gekozen door de verzoekers. De verwateringsactie heeft ertoe geleid dat de financierende instelling in dat geval een aanzienlijk groter deel van de aandelen kreeg in de moeder dan zij oorspronkelijk bij aanvang van de financiering had, en de grootaandeelhouder werd in feite verwaterd, of eigenlijk onteigend tot een resterend belang van amper 10%. Bijna werd zijn belang zelfs kleiner dan de magische 10%, zodat hij ook geen procedure bij de Ondernemingskamer meer kon aanspannen.

De door de ondernemer aangedragen eigen oplossingen voor het grote financieringsdeficit werden door de Ondernemingskamer heel praktisch van de hand gewezen. Het kwam er kort gezegd op neer dat, nu de ondernemer zelf stelde bereidheid te hebben om te financieren, hij ter zitting dat wel kan stellen maar dat de Ondernemingskamer daar pas op ingaat op het moment dat hij dit voornemen ook onderbouwd had met een bankgarantie ten belope van het bedrag waartoe hij bereid was te investeren.

Verbaasde reacties

Ik zag tijdens die behandeling vele monden openvallen en het kwam eigenlijk op het volgende neer: als die bankgarantie er niet terstond kwam, dan was het klaar met zijn investeringsplan. De bankgarantie moest ter zitting worden overgelegd en aangezien dat niet gebeurde, heeft de Ondernemingskamer zich teruggetrokken en in feite beslist dat de verpanding van de aandelen rechtvaardiging was voor een emissie, zodanig dat de 60%-aandeelhouder werd verwaterd tot amper 10%.

Daar stond nog wel tegenover dat de andere financier, die dus het pandrecht had, bereid was om een aanzienlijk bedrag te investeren om de onderneming te redden. Met name dat gegeven, en het feit dat de Ondernemingskamer kennelijk weinig vertrouwen had in de bereidheid van de ondernemer om een aanzienlijk bedrag te investeren, heeft haar ertoe doen besluiten om deze onteigening eigenlijk gewoon in te zetten en de minderheidsaandeelhouder/financier de gelegenheid te geven om de daad bij het woord te voegen, met als doel de continuïteit van de onderneming te waarborgen.

Pragmatische maatregelen Ondernemingskamer

De gehele rechtsgemeenschap was redelijk in beroering toen deze uitspraak werd gewezen. Het is al langere tijd geleden, maar deze uitspraak geeft goed aan hoe zeer de Ondernemingskamer bereid is om op een zeer pragmatische wijze vergaande maatregelen te treffen, ten einde de continuïteit van de onderneming te borgen. Deze bereidheid gaat zelfs zo ver, dat het eigendomsrecht van aandeelhouder daar voor moet wijken. Deze praktijk maakte ook dat procederen bij de Ondernemingskamer zo interessant is. Iedereen die daar een procedure start, heeft uiteindelijk toch het beste voor met de vennootschap, mag je hopen.

Ondernemingskamer een uniek tribunaal

Er is dus veel meer te repareren en te halen bij een Ondernemingskamerzaak dan wanneer je dat bij een gewone rechter in kort geding zou proberen op te lossen. Een kortgedingrechter zit veel formeler in de maatregelen die hij kan treffen en is ook veel minder in staat en bereid om tijdens een zitting mediation-achtige oplossingen na te streven. De Ondernemingskamer is dan ook niet alleen uniek in Nederland, maar zelfs binnen heel Europa en, naar ik zelfs heb begrepen, is er geen vergelijkbaar tribunaal in de wereld. In ondernemingsrechtelijk Nederland mogen wij dan ook trots zijn dat wij zo’n instituut hebben, nu wij daarmee enorme problemen in de samenleving, en vooral binnen vennootschappen, kunnen oplossen.

Dit is een vervolg op de eerste blog van een reeks over de Ondernemingskamer, geschreven door Jeroen Latour. Meer informatie over Corporate Litigation en de Ondernemingskamer kunt u op deze pagina vinden.

Gepubliceerde Artikelen

Het Bibob-formulier, een bestuursrechtelijk en strafrechtelijk zwaard van Damocles? Valsheid in geschrifte ligt op de loer

Lees verder

Het Bibob-formulier, een bestuursrechtelijk en strafrechtelijk zwaard van Damocles? Valsheid in geschrifte ligt op de loer

Lees verder