Het ‘nieuwe’ instructierecht

Situatie op grond van het oude recht

Op grond van de oude wettekst kon een orgaan van de vennootschap ook al aanwijzingen geven aan het bestuur, maar nog slechts voor wat betreft “de algemene lijnen van het te voeren beleid op nader in de statuten aangegeven terreinen”. In de nieuwe wettekst is deze beperking geschrapt. Op het oog is dit een aanzienlijke verruiming van de instructiebevoegdheid. Vraag is of dit in de praktijk ook zo wordt ervaren. Uit de bestaande jurisprudentie blijkt dit (nog) niet; de uitspraken gaan veelal in op concernsituaties (had het bestuur de betreffende aanwijzing van de concernleiding moeten opvolgen?) en niet op het onderscheid tussen een algemene en specifieke instructie. De verklaring voor de beperkte hoeveelheid jurisprudentie zou kunnen zijn dat instructies aan het bestuur in de praktijk ‘vriendelijk worden verpakt’ en als een verzoek, advies of een aanbeveling worden gedaan, bijvoorbeeld door de grootaandeelhouder tijdens een telefoontje, een email of een gesprek naast de koffieautomaat. Er is geen sprake van een formeel besluit van –bijvoorbeeld- de algemene vergadering van aandeelhouders. Bovendien worden dergelijke instructies vaak wel opgevolgd.

Wie geeft instructies?

Op grond van artikel 2:189a BW is aan de volgende organen van de vennootschap de statutaire bevoegdheid toebedeeld om het bestuur aanwijzingen te geven: (i) de algemene vergadering van aandeelhouders, (ii) de vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding, (iii) het bestuur, (iv) de raad van commissarissen en (v) de gemeenschappelijke vergadering van het bestuur en de raad van commissarissen.
Dit levert een aantal bijzondere situaties op. In de eerste plaats zou het bestuur dus bevoegd zijn zichzelf instructies te geven. Dit is echter niet mogelijk. Voorts kan ook aan het nut van het toekennen van een instructierecht aan de gemeenschappelijke vergadering van het bestuur en de raad van commissarissen worden getwijfeld; door toekenning van het instructierecht aan de gemeenschappelijke vergadering zou een meerderheid van bestuurders en commissarissen (alsnog) invloed op het beleid van het bestuur kunnen uitoefenen.

Verder is het volgens de wetstekst mogelijk om de vergadering van houders van stemrechtloze aandelen, als orgaan van de vennootschap, statutair het recht toe te kennen om aan het bestuur instructies te geven. Op deze wijze kan aan houders van stemrechtloze aandelen (alsnog) buiten de algemene vergadering om, een aanzienlijke invloed op de gang van zaken bij de vennootschap (en de daarmee verbonden onderneming) worden gegeven.

Aan wie wordt een instructie gegeven?

Instructies op basis van art. 2:239 lid 4 BW worden gegeven aan het bestuur als orgaan. Niet aan individuele bestuurders. In de praktijk kan dit anders zijn voor instructies die gegeven worden op basis van instructiemacht; deze kunnen wel degelijk gericht zijn tot individuele bestuurders, in het bijzonder als het gaat om een ‘eigen’ (niet-uitvoerend) bestuurder benoemd door een vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding op grond van een statutaire regeling (artikel 2:242 lid 1 BW en art. 2:252 lid 1 BW).

Grenzen aan (de uitoefening van) het instructierecht

Een statutair toegekend instructierecht en de uitoefening daarvan door het daartoe bevoegde vennootschappelijke orgaan is niet onbegrensd. Op basis van (i) de wet, (ii) de statuten en op grond van de uit de wet en statuten voortvloeiende (iii) ‘vennootschappelijke orde’, kunnen beperkingen aan (de uitoefening van) het instructierecht worden geformuleerd.

  1. beperkingen op grond van de wet

    De beperkingen die uit de wet voortvloeien, zien op algemene normen en op beperkingen op grond van specifiek wettelijk toegekende taken en bevoegdheden. Zo zal een instructie (althans de inhoud daarvan) niet in strijd mogen zijn met de goede zeden of de openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW) of anderszins in strijd zijn met regels van dwingend recht. Ook heeft het instructiegevende orgaan zich te houden aan de grenzen van de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 lid 1 BW) en mag zij haar bevoegdheid tot het geven van instructies niet misbruiken (art. 3:13 BW) en ook het bestuur niet belemmeren om aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen.

  2. beperkingen in de statuten

    Hiervoor dient naar de tekst van de (op grond van art. 2:239 lid 4 BW) in de statuten opgenomen bepaling te worden gekeken. Deze kan, net zoals onder het oude recht het geval was, aan het instructiegerechtigde orgaan beperkingen opleggen. De opstellers van een dergelijke bepaling hebben op grond van art. 2:239 lid 3 BW een grote vrijheid. In de praktijk zal men in veel statuten (waarin in een instructierecht is voorzien), de bepaling tegenkomen dat ‘het bestuur zich moet gedragen naar de aanwijzing van een vennootschapsorgaan betreffende de algemene lijnen van het te voeren financiële, sociale, economische en personeelsbeleid’.

  3. beperkingen op grond van de vennootschappelijke orde

    Tenslotte zijn er beperkingen mogelijk die voortvloeien uit de (wettelijke en statutaire) rolverdeling tussen de verschillende organen van de vennootschap. Ingevolge art. 2:239 lid 1 BW is het bestuur behoudens beperking in de statuten (en de wet), belast met het besturen van de vennootschap. Dit houdt in het leiding geven over de dagelijkse gang van zaken bij de vennootschap, het voorbereiden, vaststellen en uitvoeren van beleid, zowel voor de korte als langere termijn. Het bestuur vervult de functie van de ondernemer en bepaalt de strategie van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Het bestuur is bij deze taakuitoefening autonoom. De vraag is dan in hoeverre een instructiegevend orgaan zich door middel van instructies op dit terrein mag begeven. De raad van commissarissen bijvoorbeeld zou binnen de kaders van de vennootschappelijke orde slechts instructies mogen geven voor zover deze in overeenstemming zijn met de wettelijk aan hem opgedragen taak: het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (art. 2:250 lid 2 BW). Daarbij dient de raad van commissarissen zich steeds te richten naar het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Instructies van de raad van commissarissen zullen daarom steeds corrigerend van aard zijn.

    De algemene vergadering heeft binnen de vennootschappelijke orde de meest ruime mogelijkheden met betrekking tot het instructierecht. Anders dan de raad van commissarissen wordt de algemene vergadering als orgaan niet door een algemene (al dan niet afgeleide) taakopdracht beperkt; de algemene vergadering kan instructies geven met betrekking tot alle aspecten van de dagelijkse gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en ook met betrekking tot de strategie. Voorts geldt dat de algemene vergadering de aandeelhouders zich mag richten naar haar eigen individuele belangen binnen de vennootschap. Daarbij geldt overigens wel dat de individuele aandeelhouders de belangen van anderen (zoals minderheidsaandeelhouders) niet uit het oog mogen verliezen.

    Toets aan vennootschappelijk belang

    Het bestuur is steeds gerechtigd om een gegeven instructie, van welk orgaan dan ook, zelfstandig en in volle omvang te toetsen aan het vennootschappelijke belang. Indien de gegeven instructie strijdig is met het belang van de vennootschap, dient het bestuur de instructie niet op te volgen. Dit zal het bestuur wel steeds goed moeten motiveren.

    Voor vragen of nadere inlichtingen over de instructiebevoegdheid aan het bestuur, kunt u vrijblijvend contact opnemen met:

Gepubliceerde Artikelen