4 aandachtspunten voor de advocaat bestuursrecht na de Toeslagenaffaire

De toeslagenaffaire zou tot een meer kritische en intensieve toetsing door de bestuursrechter moeten leiden. Daar ligt een taak voor de advocaat bestuursrecht om dat bij de rechter te bepleiten. Ook de Raad van State gaat dit jaar aan zelfreflectie doen.

In deze blog bepreek ik kort wat de Toeslagenaffaire voor nieuwe inzichten brengt voor andere procedures bij de bestuursrechter. Deze nieuwe aanpak is belangrijk voor de bestuursrecht advocaat die in procedures de rechter tot meer effectieve rechtsbescherming moet bewegen. Dat is nodig gelet op de kritiek in het rapport over de rol van de bestuursrechter in de toeslagenaffaire: “Zonder zich te willen uitlaten over individuele rechterlijke uitspraken, constateert de commissie dat ook de bestuursrechtspraak jarenlang een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het in stand houden van de niet dwingend uit de wet volgende, spijkerharde uitvoering van de regelgeving van de kinderopvangtoeslag. Daarmee heeft de bestuursrechtspraak zijn belangrijke functie van (rechts)bescherming van individuele burgers veronachtzaamd.”

1 Intensieve toetsing met oog voor onevenredige gevolgen van een besluit

De voorzitter van de Raad van State bepleit in NJB meer intensieve toetsing in zaken waarin de belangen van burgers in de knel (dreigen te) komen, met daarin een belangrijke rol voor het evenredigheidsbeginsel.

Deze intensieve toetsing vindt al plaats bij bestuurlijk boetes opgelegd in Amsterdam wegens verhuur aan toeristen is deze toetsing al plaats: een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding geven om een boete te matigen. Lees hier de uitspraak over de verhuurboetes.

De Raad van State overweegt daarbij dat ook als sprake is van een ernstige overtreding dat niet wil zeggen dat zich geen bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die maken dat de ernst van een overtreding geringer is.

Uit de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, een systeem van wettelijk vastgestelde bestraffende sancties niet uitsluit en het bestuur en de rechter in beginsel van de door de wetgever gemaakte vaststelling dienen uit te gaan, mits de wettelijke bepalingen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel tot stand zijn gekomen (zie de arresten van 23 september 1998, Malige tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1998:0923JUD002781295, 2 juli 2002, Göktan tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2002:0702JUD003340296, en 7 juni 2012, Segame tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD000483706). Als in een wettelijk gefixeerd boetestelsel echter niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn, kan eerder de noodzaak bestaan om in een concreet geval van dit boetestelsel af te wijken. Hier meer wordt het boetestelsel van de gemeente Amsterdam dus kritisch beoordeeld. Bij vele daaraan voorafgaande boetezaken was dat helaas niet het geval.

2 Dwingend recht toetsen aan evenredigheidsbeginsel

De rechter moet extra voorzichtig zijn met het duiden van wettelijke bepalingen als van dwingendrechtelijke aard. Volgens Brenninkmeijer gaf de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de Belastingdienst ruim baan door slechts te toetsen op het door de Belastingdienst ingenomen standpunt en maakte geen eigen afweging op basis van een behoorlijke interpretatie van de wet. De ABRvS moet alert zijn op de gevolgen van haar rechtspraak in de uitvoering, en zoeken naar het juiste evenwicht tussen wet en recht, waar mogelijk met inzet van het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaf de Belastingdienst ruim baan door slechts te toetsen op het door de Belastingdienst ingenomen standpunt en maakte geen eigen afweging op basis van een behoorlijke interpretatie van de wet. “Men voerde wet- en regelgeving uit zonder zich voldoende te vergewissen van de uitwerking hiervan. ‘Gerobotiseerd’ noemde een van de getuigen dit. Op zich deed iedereen zijn/haar best, maar het samenstel van handelingen leidde uiteindelijk tot het langjarige ‘ongekend onrecht”.

3 Beter gebruik van beginselen van behoorlijk bestuur

Dit volgt uit de aanbeveling van Brenninkmeijer: versterking van ‘de menselijke maat’ bij overheidsoptreden. De concretisering daarvan kan plaatsvinden door de behoorlijkheid en door in het verlengde hiervan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur centraal te plaatsten in al het overheidshandelen: wetgeving, uitvoering en rechtspraak. De ruime bevoegdheden in de wet- en regelgeving vinden hun begrenzing in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ook tot hun recht kunnen komen door niet legalistisch naar de wet te kijken maar bij de interpretatie ervan naast de tekst van de wet, te kijken naar context en doel van de wetgeving.

4 Toetsen aan behoorlijkheid

Verder benadrukt A. Brenninkmeijer in de Trouw dat een behoorlijke behandeling van burgers altijd het uitgangspunt van overheidshandelen dient te zijn. Net als de Ombudsman zou behoorlijkheid van overheidshandelen ook inhoudelijk bij de bestuursrechter aan de orde kunnen komen. Ten einde in een concreet geval vast te stellen wat een behoorlijke behandeling zou inhouden, dient zowel het bestuursorgaan als de rechter een zelfstandige beoordeling te verrichten. De rechter moet vervolgens de behoorlijkheid voorop plaatsten in zijn oordeelsvorming en niet volstaan met een te technocratische wetstoepassing en toetsing van bestuursbesluiten in plaats van rechtsbescherming te bieden, omdat die beperking de waarde van rechtspraak ondermijnt. De affaire laat volgens hem zien dat onze democratische rechtsstaat gewoon níet functioneert. We hebben een wetgever die zich niet aan de rechtsstaat houdt, een uitvoerder die de wet klakkeloos opvolgt, zonder zich om de grondrechten en de behoorlijkheid te bekreunen, en een rechter die zich gouvernementeel opstelt en het beleid alleen maar bevestigt. De rechter zou toch de laatst strohalm moeten zijn tegen onevenredig en onbehoorlijk handelen van de overheid.

Het spreekt voor zich dat de advocaat bestuursrecht de feiten en omstandigheden voor het voetlicht moet brengen om de bestuursrechter in staat te stellen intensiever te toetsen, en zodoende tot een betere rechtsbescherming te komen.

Het team bestuursrecht van Blenheim begeleidt u graag in een bestuursrechtelijke procedure

Gepubliceerde Artikelen